“Hier moeten binnen een jaar de Olympische spelen gehouden worden.” Ik zeg het nog maar eens hardop tegen mezelf terwijl ik in een taxi door de bouwput die Beijing heet rij.
Alle overheidscampagnes ten spijt, maakt de chauffeur mij al roggelend duidelijk dat hij geen idee heeft waar ik eigenlijk heen wil. Eén van de doelen die de overheid heeft voor 2008, is om taxichauffeurs een paar woorden Engels bij te brengen, en de bevolking de gewoonte af te leren om luidruchtig hun neus op te halen, en de verzamelde vloeistoffen demonstratief op straat, in de bus of waar dan ook, uit te spuwen.
Zich niet bewust van deze overheidsinspanningen gaat mijn taxichauffeur vrolijk door alsof het uit zijn tenen moet komen, en kijkt mij vragend aan wat ik met ‘stop here’ bedoel. Het woord ‘please’ gebruik ik maar niet meer. De ervaring in het hotel leert dat men, blij dat ze toch echt één woord opgevangen hebben, triomfantelijk met een schoteltje kaas (cheese) aan komen zetten. Maar bij een taxichauffeur hoef ik hier niet bang voor te zijn. Left, right of stop. Echt geen woord verstaat hij, of denkt hij ook maar te verstaan!
Toch lijkt dit het minste probleem wat China heeft. Naar westerse maatstaven is het onmogelijk dat al dit werk over negen maanden klaar is. Maar vergeet niet dat er 1.2 miljard Chinezen zijn die voor een hongerloontje de halve inhoud van ons huis produceren. De overheid houdt hier zat geld aan over. Niet genoeg om een acceptabele gezondheidszorg te regelen, (in China behoor je zelf de ziekenhuisrekening te betalen voordat de doktoren ook maar naar je kijken) maar geld zat om met deze stad goede sier te maken in 2008. Mensen en geld genoeg, en dus hoe onmogelijk het ook lijkt, gaan ze het wel redden.
Beijing wordt in duizelingwekkende vaart opnieuw gebouwd. Miljarden worden er tegenaan gesmeten om volgend jaar, als de wereld toekijkt, te laten zien dat China ‘het’ ook allemaal heeft. Langs alle grotere wegen verrijzen kolossale complexen waarvan het doel onduidelijk is. Ik stop bij een gebouw en besluit eens binnen te kijken. De eerste vijf etages worden gevuld door een stemmig pianomuziekje. Het blijkt een winkelcentrum te zijn, waar elk mode merk dat er toe doet, vertegenwoordigd is met een eigen winkel. Versace, Armani, ze zijn hier allemaal. Het duurt even voordat het tot me doordringt wat niet klopt aan het plaatje. Mijn voetstappen is het enige wat het pianogepingel verstoord. Niemand! Ik ben werkelijk de enige ‘klant’ op deze 5 etages natuursteen. Tuurlijk, in elke winkel staat personeel. Netjes met de handen voor zich gekruist, strategisch door de winkels verdeeld, wachtend op wat komen gaat. Maar er komt niets. Niets, geen mens, laat staan een klant. Morgen staan ze hier weer in hun lege winkels. Elke dag, totdat over negen maanden misschien wat reuring ontstaat.
De meeste bouwwerken zijn nog niet af en dat is maar goed ook, laat ik mij influisteren door een westers bouwkundig inspecteur. “Zo gauw de gebouwen af zijn treedt het verval in. Kijk eens om je heen.” Zegt hij terwijl we in de lobby van ons hotel zitten. “Dit hotel staat hier een jaar of twee maximaal.” En hij wijst naar de grote scheuren in het beton van ons vier sterren onderkomen. “Wat nu gebouwd wordt is waarschijnlijk nog slechter en zal in rap tempo achteruit gaan. Een half jaar te vroeg klaar betekent onderhoud en daar zit men hier niet op te wachten. Straks tijdens de Spelen moet het er allemaal prachtig uitzien. Daarna maakt het niet meer uit.”
Letterlijk een façade want opvallend is dat al deze karakterloze nieuwbouw langs de grote wegen staat. Het oude Peking met laagbouw en een gezellige drukte van eetkraampjes en winkeltjes, wordt bewust uit het zicht gehouden. Het waarom ontgaat mij volledig, want daar ligt toch de charme van China.
Het bekijken van de Olympische bouwlocatie blijkt een moeilijkere opgave dan verwacht. Alsof men de Chinese muur nog eens dunnetjes over wilde doen slingeren kilometers schuttingen, langs de bouwplaats, efficiënt alles aan het oog ontrekkend. Van tevoren heb ik nog bij het NOC*NSF geïnformeerd, maar bezichtiging via officiële weg bleek moeilijk. “Kijk wat je ter plekke kunt regelen” was het beste advies dat ze mij konden geven en met dat in gedachten loop ik langs de schutting die hier en daar afgewisseld wordt door een wachtpost, bemand door iemand die me probeert te overtuigen dat één stap verder, gelijk mijn laatste zou zijn. Stiekem vraag ik me af wat er zou gebeuren als ik door loop. Met mijn westerse negentig kilo kunnen ze fysiek niet zoveel tegen me uitrichten. De gedachte laat me al snel los als ik een open poort zie en… geen bewaking.
Zonder lang na te denken glip ik naar binnen en kom terecht in het ‘dorp’ voor de bouwvakkers. De werkers zijn in groten getale uit het hele land geplukt en moeten hier natuurlijk ook een slaap- en eetplek hebben. Het geeft een rare kijk op het platteland van China midden in Beijing, want de meeste mensen leven hier door zoals ze in hun thuis streek gewend waren.
Naast de nette prefab onderkomens zie je vooral ook veel tentjes, gemaakt van wat steiger materiaal en plastic zeil. Aan de ranzige matrassen en pannetjes die rondslingeren kun je zien dat hier echt mensen wonen. Het komt op mij over als een grote vuilnisbelt, maar kijkend naar de lachende gezichten om mij heen, schijn ik hier de enige te zijn die er zo over denkt.
Snel wandel ik door want ik heb nu een vrije doorloop het bouwterrein op. Vreemd genoeg denkt iedereen nu dat ik hier wel thuis zal horen en let niemand meer op me.
De bouwplaats van de ‘olympic green’, waar een aantal stadions bij elkaar gebouwd wordt, is een stad op zich. Overal grote groepen werkers die zich als mieren op een project storten en in een onvoorstelbaar tempo de grootste bouwwerken uit de grond stampen.
Maar mijn aandacht is vooral gericht op ééntje. Het vogelnestje. Dit wordt het imposante hoofdstadion waar de openingsceremonie gaat plaatsvinden. Met de kriskras door elkaar lopende stalen balken, hoef je jezelf niet af te vragen hoe ze bij die naam zijn gekomen. Met zijn 330 bij 220 meter zal het straks plaats bieden aan ruim 100.000 toeschouwers.
Ik probeer op verschillende plaatsen of het mogelijk is om binnen te komen maar dit lijkt een stap te ver. Alle ingangen van het vogelnestje worden zwaar bewaakt.
Ik meng mij tussen de bouwvakkers en met iets meer zelfvertrouwen spreek ik wat van de mannen aan. Verstaan doen ze me niet maar glimlachend met anderhalve tand in hun mond wilde ze duidelijk wel poseren. Dan wordt mijn aandacht getrokken door een Duits sprekende stem van iemand die achter mij loopt. Ik stel me voor en begin een praatje met de man die als één van de weinig westerlingen hier op de bouwplaats aanwezig is. Ik moet het proberen en dus vraag ik of er ook gaten in de beveiliging van het stadion zijn. Triomfantelijk antwoord hij, ja… ik!
De volgende dag sta ik op de afgesproken plek buiten het bouwterrein en bel het Chinese mobiele nummer dat mijn Duitse vriend mij heeft gegeven. Vijf minuten later staat hij voor me met veiligheidsharnas, helm en een pasje van iemand die redelijk op mij lijkt in zijn hand. Snel kleed ik me om en spreken we nog wat dingen door. “Kijk alsof je er thuis hoort. Als een bewaker moeilijk doet ga ik wel in discussie. Als ik er niet uit kom geef ik een seintje en lopen we gewoon door, oke?” Lopend naar het hek vraagt hij tussen neus en lippen door nog even of ik last van hoogtevrees heb. Ehh… ik dacht het niet, antwoord ik. Mooi zegt hij, want we gaan het dak op. Daar ben ik namelijk verantwoordelijk voor. Ik kijk wat moeilijk en voel mijn hart in mijn keel kloppen als we al pratend de eerste bewakingspost voorbij lopen.
Ook de nog beter bemande post bij de ingang van het stadion laten we achterons en het verbaast me wat je voor elkaar krijgt als je maar net doet alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Zullen we eerst naar boven gaan, vraagt Horst, want zo heet mijn inside men. Hij wijst naar wat lijkt op wat oude steiger pijpen en sloophout. Dit blijkt het geïmproviseerde ‘traphuis’ te zijn en ik vraag me af hoe ik bij de gedachte was gekomen dat er wel iets van een soort lift zou zijn. Ik geef hem een bevestigende knik en we beginnen met de klim naar het dak.
Het hout waar we op lopen is duidelijk al aan zijn zoveelste leven bezig en ik probeer te zien hoe het vast gemaakt zit aan het roestige metaal van de pijpen, maar des te hoger ik kom, groeit het besef dat zwaartekracht het enige is dat het gammele hout op zijn plaats houdt. De vele noodreparaties die we onderweg tegen komen geven aan dat ook de stevigheid van het hout hier en daar ruim overschat wordt. Ik kijk naar het tengere postuur van Horst en denk weer even aan mijn eigen gezonde negentig kilo, maar voor ik me hier echt zorgen over kan gaan maken hoor ik een strenge Chinese stem achter mij. Een bewaker die mijn pasje wil zien. Ik haal snel het pasje langs zijn gezicht en brabbel wat over “werk op het dak”. Horst neemt het over en na wat opmerkingen over dat hij wel zijn werk moet kunnen doen, geeft hij al snel het knikje dat we gewoon moeten gaan lopen. We laten de bewaker wat verbouwereerd achter, niet wetend wat hij met de situatie aan moet.
Het uitzicht is geweldig. Lopend over de stalen balken die het dak vormen van dit prachtige stadion realiseer ik me hoe uniek het is, dat ik als westerse fotograaf hier binnen ben gesmokkeld. Duidelijk is, dat alleen al om de veiligheid, dit via officiële weg nooit mogelijk zou zijn. Ik wandel over de stalen balken met een veiligheidsharnas dat nergens aan vast gemaakt zit en dus geen enkel doel dient. Behalve dan om me minder op te laten vallen want alle arbeiders balanceren zo over de stalen balken van het dak. Hier en daar een verloren vangnet maar meestal heb je een onbelemmerde kijk naar de grond die zich 70 meter onder ons bevindt. Een Nederlandse Arbo-dienst ambtenaar zou hier gillend van de bouwplaats wegrennen. Tja, lacht Horst als hij de verbazing in mijn ogen ziet. “ze kijken hier niet zo nauw, mensen hebben ze toch zat”
Horst vertelt doorlopend over zijn werk. Hij is verantwoordelijk voor het eigenlijke dak dat tussen de balken wordt gemaakt. Dit blijkt een gespannen kunststof folie van 250 micron dik te zijn. Een innovatie van het Duitse bedrijf waar hij voor werkt en ondanks zijn dikte bestand tegen extreme weersomstandigheden. Wel vraagt hij zich hardop af waarom hij het allemaal doet. “Het is alsof we een Mercedes dak op het onderstel van een Kever zetten”. In het ontwerp van de stalen constructie is gewoon geen voorziening getroffen voor onderhoud. Als de boel straks klaar is ziet het er prachtig uit maar gezien de behandeling van het staal, zal het al heel snel gaan roesten en al zouden ze het willen, de mogelijkheid voor onderhoud is er gewoon niet. Je kunt straks simpelweg op een heleboel plaatsen niet meer komen. Een fout in het ontwerp? Dat soort fouten maak je niet. Dat is een bewuste keuze… Zijn overtuiging is dan ook dat het ‘vogelnestje’ binnen tien jaar weer platgewalst wordt. “De meeste Olympische stadions zijn gebouwd om als een monument te blijven staan. Iets waar het volk trots op kan zijn. Die gedachte leeft hier in China duidelijk niet.” Kijk bijvoorbeeld naar het Duitse Olympische stadion. Die is gemaakt om als een monument te blijven staan. Iets waar het volk trots op kan zijn. Maar deze gedachte is hier ver te zoeken.” Horst is zich niet bewust dat ik als Nederlander wel wat kanttekeningen kan plaatsen bij de ‘gedachte’ waarmee men in 1934 aan dit Duitse stadion begon, en laat dit ook maar even zo.
Hoog vanaf het vogelnestje kijken we over de stad uit, zover als de dikke smog toelaat. Hoe zou deze stad er over tien jaar uitzien. De stad Montreal, die de Spelen in 1976 organiseerde, sloot het evenement af met een financiële ramp. De locaties dienden geen enkel doel meer na de Spelen en stonden weg te roesten waardoor er tot op de dag van vandaag extra belasting geheven wordt om de kosten van 10 miljard terug te halen. De rest van de wereld heeft van deze harde les geleerd en pakt de organisatie sindsdien financieel slimmer aan.
China lijkt zich hier echter weinig van aan te trekken, en er zelfs een ruime schep bovenop te gooien. De directe kosten komen nu op zo’n 40 miljard maar indirect zijn de investeringen in de stad nog veel groter. Het grote probleem voor China lijkt dus vooral na de Olympische spelen te komen.
Heel veel van de nieuwbouw zal domweg geen functie meer hebben. De huizenprijzen zijn zo’n beetje verdubbeld in een half jaar tijd dus de arbeiders van Horst die, voor Chinese begrippen, een riante 120 dollar per maand opstrijken, zullen er niet gaan wonen. Die vertrekken straks weer naar het platteland. Hoeveel van de 16 miljoen(!) inwoners van Beijing zullen dit wel op kunnen brengen? En al die kantoorcomplexen met 40 meter hoge video-walls tegen de gevel. Wie zit daar straks nog op te wachten?
Voldaan maar met het voornemen hier over een jaar of tien terug te komen sta ik voor het hotel te wachten op de taxi die mij naar de luchthaven gaat brengen. Gedachteloos en zonder te kijken druk ik mijn peuk uit in één van de met zand gevulde asbakken. Ik hoor een onheilspellende ‘sis’ die ik niet thuis kan brengen en zie dat ik mijn sigaret midden in een groene Chinese fluim heb gedrukt. Hmmm, in de asbak… het begin is er. Misschien komt dat dan toch nog goed voor 2008.
Een foto opdracht die in een persoonlijk avontuur uitloopt. Gepubliceerd in het tijdschrift ‘Aktueel Sportief’